door Peter van Diest

De Toeschouwer

Voor paardrijden heb je nodig: een paard (nogal wiedes), een ruiter of amazone (lijkt me ook vrij logisch) en nog een assortiment leren en metalen voorwerpen, eventueel aangevuld met dingen van kunststof. Verder is het handig om een beetje ruimte te reserveren voor de activiteit, daar paarden soms de neiging hebben eigen initiatieven tentoon te spreiden die al gauw meer dan tien meter in beslag nemen voor de ruiter vat krijgt op n en ander. En tot slot verdient het aanbeveling de ruimte te voorzien van een duidelijke begrenzing, de bakrand te noemen, waarbuiten zich in principe alles bevindt wat je niet strikt nodig hebt om te rijden. Op n van die zaken waar men gemakkelijk buiten kan wilde ik mij in dit stukje concentreren. U raadt het al, het staat tenslotte in de titel: ik heb het over de toeschouwer, en dan met name over de "deskundige" variteit daarvan.

Iedereen die regelmatig paardrijdt kent ze wel: van die mensen langs de kant die precies weten waar de schoen wringt terwijl je gewoon lekker aan het rijden bent en je van geen enkel probleem bewust bent. Dan blijkt ie er "niet lekker doorheen" te zijn of "niet goed aan je been". Of je hebt m "te diep ingesteld" en hij loopt "over zn tempo". Kijk, van mijn instructrice kan ik zoiets wel hebben want die heeft meestal gelijk en bovendien doet ze gewoon haar werk. En ik moet zeggen dat mijn vriendin, tevens proeflezer van deze column, er ook verstand van heeft.

Maar een willekeurige persoon langs de kant die mij een beetje gaat vertellen dat ik het niet goed doe? Doe me een lol zeg! Natuurlijk, je bent zelf niet al te kritisch als het voor je gevoel wel lekker gaat, en juist dan zou een opmerking van iemand die er vanaf de begane grond tegenaan kijkt misschien kunnen helpen om het "plaatje" te verbeteren, maar de mensen die een opmerking durven maken zijn meestal ook degenen die vinden dat anderen er niets van bakken, terwijl ze soms godbetere zelf niet eens rijden. Ze maken altijd opmerkingen in de trant van teveel dit en te weinig dat, of meer zus en minder zo, maar het is in elk geval nooit goed. Nooit zegt zo iemand eens: "Jaaa, dr moet je willen rijden", iets wat ik een instructeur in mijn paardrijverleden wel eens hoorde roepen. (De instructeur in kwestie wist behalve van paarden ook nog iets van mensen. Zo wist hij bijvoorbeeld dat positieve opmerkingen niet alleen directe verbeteringen in het rijden teweeg kunnen brengen, iets wat met negatieve opmerkingen misschien ook nog wel lukt, maar dat ze bovendien een ander effect hebben op de ruiter, en meer in het bijzonder op diens humeur, wat dan weer extra ten goede komt aan de rijkunst. Niet dat hij nooit schold hoor, hij bleef natuurlijk een gediplomeerd paardrij-instructeur, maar hij had een evenwichtige mix gevonden van schelden en paaien.)

Is het echt zo erg als ik het nu schets? Nou, het valt misschien wel mee, ik heb de neiging om de dingen een beetje op te blazen. Dat is een prima uitlaatklep voor frustraties en het levert ook nog stof op voor een column. Eigenlijk moet ik toegeven dat ik ze niet meer zo vaak hoor de laatste tijd, die beste stuurlui. Misschien ligt dat, zo vlei ik mijzelf, aan het feit dat ik tegenwoordig gewoon beter rijd dan vroeger. Maar het kan ook zijn dat het een verschijnsel is dat zich vooral op maneges voordoet en niet bij pensionstallen. U begrijpt al, ik roep ook maar wat. Waar het zich overigens nog wel voordoet, naar ik uit betrouwbare bron heb vernomen, is bij het longeren. Mijn bron vertelde mij dat hij in het tijdsbestek van een half uur diverse malen ongevraagd advies kreeg van omstanders. Op zich al zeer irritant natuurlijk, maar des te erger doordat de adviezen ook nog eens volkomen tegenstrijdig waren. Toen ten slotte ook zijn paard zich ermee ging bemoeien en suggereerde dat rollen eigenlijk ook wel een goed idee was gaf hij er de brui aan.

Er is trouwens n soort toeschouwer die meestal wel goedkeurende opmerkingen maakt, als ie berhaupt iets zegt. Maar helaas heb je er niet veel aan voor je rijkunst want deze persoon staat niet langs de bakrand maar wandelt door het bos en is niet per se in paarden genteresseerd, laat staan deskundig. In het algemeen (niet: "in z'n algemeenheid", aan degenen die deze taalverkrachting bezigen zou ik willen vragen: wie zn algemeenheid? Ik weet het, t heeft helemaal niets met paarden te maken, maar ik krijg paarse vlekken in mijn nek als ik eraan denk en ik moest het even kwijt), in het algemeen dus, zijn de opmerkingen van wandelaars jegens ruiters van tweerlei aard. Als het een jong gezin betreft zijn het vaak de kinderen die volstaan met de eenvoudige doch accurate constatering: "Kijk, een paard!". Geen poespas, gewoon rechtoe rechtaan, zo zijn kinderen naar ik mij heb laten vertellen door ervaren fokkers. Gaat het om een groepje volwassenen dan hoor je meestal: "Wat een (...) paard, meneer" waarbij dan op de puntjes een woord als "mooi", "groot" of "prachtig" wordt ingevuld. Wat je zelden hoort is "eng" of "lelijk". Maar wat je in ieder geval nooit hoort is: "Meneer, u heeft de achterhand er niet voldoende onder." En da's maar goed ook want du moment dat ik dt hoor in het bos zet ik stante pede alle ruiteretiquette bij het grof vuil. Wandelaars naast een plas? Hoppa, er doorheen gegaloppeerd. Kinderen op een smal pad? In de struiken ermee! Boswachter aan de einder? Hatsee, lekker raggen door de jonge aanplant. (En dan gauw wegwezen!)

De enige reden dat ik niet steeds onder de modder- en bloedspetters, mijn paard onder de schrammen, de bospolitie op mijn hielen, in een vliegende rengalop van een buitenrit terugkeer is dat de meeste wandelaars in het bos geen verstand hebben van paardrijden. Zij zijn in feite de ideale toeschouwers voor als je geen les hebt.






-/-