door Peter van Diest

Het natuurtalent

Anky van Grunsven zijn, dat valt waarachtig niet mee. Ga maar na: je naam is een merk, je relatie één lange training en dan moet je ook nog voortdurend met zo'n koddig Brabants accent praten. Dat gaat je beslist niet in je kouwe kleren zitten. Zeker niet als die kleren met duizenden tegelijk in alle paardensportzaken van Nederland hangen. Maar er is iets dat nog veel moeilijker is, namelijk: niet Anky van Grunsven zijn. Enige uitleg is misschien op zijn plaats.

Kijk, op zich lijkt het natuurlijk eenvoudig om niet Anky van Grunsven te zijn. Zestien miljoen Nederlanders minus één zijn immers elke dag moeiteloos niet Anky van Grunsven, waarvan de meesten waarschijnlijk tot hun grote opluchting. Neem mij nou bijvoorbeeld, ik moet er dus niet aan denken om ‘s morgens wakker te worden met dat slaperige hoofd van Sjef Jansen op vijf centimeter afstand van mijn gezicht, brrr! (Natuurlijk zijn er ook honderden meisjes van dertien die wél dolgraag Anky van Grunsven zouden willen zijn, maar ik betwijfel ten zeerste of dat iets te maken heeft met Sjef.) En dan nog zo iets: als er weer eens ergens een grote schare fans klaarstaat voor een handtekeningensessie is het eigenlijk ook erg praktisch om niet Anky van Grunsven te zijn. Zo hou je bijvoorbeeld meer tijd over voor belangrijker zaken. Zoals eh... je nagels knippen, of stroopwafels kopen, dat soort dingen.

Maar ik bedoel eigenlijk niet zo zeer dat het moeilijk is om niet Anky van Grunsven te zijn, alswel dat je het er moeilijk mee kunt hebben. Althans, als je een beetje wilt kunnen presteren met je paard in de dressuursport. Want als je paardrijdt en niet Anky van Grunsven bent dan is de kans vrijwel nul dat je op Salinero zit, of op Crack, of hoe heten ze allemaal nog meer. En dat maakt nogal wat verschil, daarover kunnen we het wel eens zijn denk ik. Het laat zich misschien het best als volgt samenvatten: Anky’s paarden doen kuren, onze paarden hebben kuren. Met of zonder muziek.

De oplossing ligt een beetje voor de hand: wees een natuurtalent. Maar dat is helaas makkelijker gezegd dan gedaan. Sterker nog: je kunt er, eenmaal geboren, sowieso niets meer aan doen. Daarom heet het ook ‘natuurtalent’: je kunt het niet worden, je bent het van nature, of (en dat is waarschijnlijker voor de meesten van ons) je bent het niet. Dus, ben je geen natuurtalent, praat jezelf dan geen complexen aan, maar bel met de stichting Correlatie. Of ga klagen bij de ware schuldigen: je ouders. Het helpt weliswaar geen zier, maar het lucht wel op.

Natuurtalenten zijn niet dik gezaaid in de paardensport. Althans, bij mensen. (Bij Correlatie krijgen ze het nu druk.) Maar bij paarden ligt dat heel anders. Want de enige échte natuurtalenten in de paardensport zijn toch de paarden zelf. (Op dit moment raken de lijnen overbezet.) Dat is eigenlijk ook wel logisch: als mensen beter waren in paardensport dan hadden ze het wel ‘mensensport’ genoemd. (Inmiddels bellen de mensen van Correlatie vooral met elkaar.) Nee, om echt uit te blinken in de paardensport moet je een paard zijn. En paard zijn, dát beheersen paarden werkelijk tot in de puntjes. Omdat ze toch niet veel anders omhanden hebben, kunnen ze er immers dag en nacht voor oefenen. Het leuke is, en dat maakt het voor de paarden ook zo makkelijk, dat een paard zijn natuurtalent kan tonen door gewoon zichzelf te zijn. Of, zoals Anky pleegt te zeggen: "alles wat een paard tijdens een proef laat zien, doet hij van nature ook". Want elk paard kan dansen als Nurejev: pirouettes, zijgangen, pasje achterwaarts, galopwissels, uitgestrekte draf, passages... verzin het maar, paarden doen het. Het enige waar moeder Natuur bij het paard nog wat aan zou kunnen schaven is de timing, zodat hij bij het halthouden en groeten ook werkelijk stopt met zijn Nurejev-impressie.

Maar helaas zit er ook een schaduwzijde aan het natuurtalent van paarden: als geen ander kunnen ze bang zijn voor iets waar de rest van het dierenrijk achteloos de schouders voor ophaalt. En wonder boven wonder wordt de timing dan opeens nagenoeg perfect: slechts een paar miliseconden vóór iets ‘engs’ ook op de radar van de ruiter verschijnt (en het dus ruimschoots te laat is voor de ruiter om nog te anticiperen) reageert het paard met een prachtige, zij het nogal plotselinge zijgang, die je gek genoeg nooit voor elkaar krijgt als er even geen enge dingen voorhanden zijn. Dat brengt me trouwens op een briljant idee: neem de volgende keer dat je een proefje rijdt een bijzonder enge voorlezer mee, zet ‘m op een strategische plaats langs de hekjes, en geniet van het resultaat.

Rest ons natuurlijk nog de vraag of Anky van Grunsven ook een natuurtalent is. Wat het Brabants accent betreft is het antwoord een volmondig ‘ja’. Maar hoe zit het met Anky’s rijkunst? Is haar dat gewoon komen aanwaaien? Of traint ze gewoon heel hard? Ik denk het laatste. En mijn vermoeden is dat Sjef Jansen er iets mee van doen heeft. Op één of andere manier krijgt hij het voor elkaar dat Anky iedere ochtend héél vroeg op haar paard zit...






-/-